Binnenstad Boedapest zindert van trendy clubs

“Pink!” wijst de receptioniste van het restaurant Gundel vol afschuw naar mijn keurige hemd. “Dat kunnen wij hier niet toestaan. Zó kunt u hier niet naar binnen!” Mijn fraaie maar onopvallende lichtrode shirt, pas aangeschaft in het burgerwarenhuis La-fayette in Parijs, kan in Boedapest niet door de beugel. “Pink!” herhaalt de receptioniste hoofdschuddend. Ze zweeft ergens tussen onbegrip en walging.

Als een ‘pink panther’, de staart tussen de benen, druip ik af. De Hongaren stuurden dan wel onlangs hun conservatieve regering naar huis om de socialisten en de liberalen een kans te geven, ze blijven hun traditie getrouw: conservatief.

“Véél heb je niet gemist”, vertelden mij later mijn Haagse buren, operetteliefhebbers en ooit fervente Gundel-gangers. “Vroeger was Gundel de absolute top, maar sinds het befaamde restaurant werd overgenomen door een Amerikaan is het met de service snel bergafwaarts gegaan. Het zigeunerstrijkje is nog steeds prima, maar verder is het vergane glorie. Toen wij er de laatste keer aten, liet de ober bij het afrekenen een enorme wind.”

Eenvijfde van de totale bevolking van Hongarije woont en werkt in Boedapest. Aan de Donau, hartje Europa. Twee miljoen mensen, een drukke smogstad met brede boulevards vol auto’s, ambulances die de hele dag gillen alsof het Chicago is, stampvolle bussen en stinkende vrachtwagens. Eigenlijk is alles hier een beetje vergane glorie, al is er de laatste jaren wel veel nieuw leven ingeblazen. Je ziet ‘t hier alom, voelt het aan alles: dit is de herboren hoofdstad van een machtig en eeuwenoud rijk, een stad die nu naarstig aansluiting zoekt bij het jachtige Westen.

De Romeinen hadden bij deze vernauwing in de snelstromende Donau (waardoor je die op deze plek gemakkelijk kon oversteken) al hun stad Aquincum, maar de voorvaderen van de huidige Hongaren, de nomadische Magyaren uit de Oeral onder aanvoering van hun prins Arpád, arriveerden hier na veel omzwervingen pas in 896. Het zou nog bijna 1000 roerige jaren duren voordat de steden Boeda en Pest, aan weerszijden van de rivier en sinds 1849 door een kettingbrug met elkaar verbonden, in 1873 werden verenigd tot één stad: Boedapest.

Inhaalrace

Tegenwoordig is Boedapest, danig achterop geraakt door veel droeve decennia van communistische armoede en zelfbedrog, vooral bezig met de invoering van de welvaart. Een inhaalrace om eerdaags soepel te kunnen invoegen in de vaart der Europese volkeren. Hier wordt keihard gewerkt om op tijd klaar te zijn voor de langverwachte stap voorwaarts: het EU-lidmaatschap en de invoering van de euro, die almaar dichterbij komen. Je ziet hier nog wel alom pruttelende Trabantjes en rokende Lada’s, maar tegenwoordig overheerst zacht zoevende West-Europese luxe de wegen. Onderaards rijdt een moderne metro.

Bovengronds krakerige, oude trammetjes. Toeristen kunnen allerlei informatie op straat oppikken uit openbare computerterminals. Jongelui kleden zich volgens de allerlaatste trends, opvallend veel tieners zie je roken. De binnenstad zindert van de trendy clubs en de kantine van de Medische Universiteit verandert elke zaterdagavond in een daverende discotheek. Ouderen zijn vaak sceptisch. Zij hebben wat moeite met alle veranderingen. Soms zie je op straat ineens een Schotse plooirok voorbijkomen, of zo’n hoedje uit de oude doos, maar dat maakt Boedapest nu juist zo leuk.

Nauwelijks verlegen dametjes uit Bulgarije op de wandelpromenade langs de Donau, op een plein verderop hoerenjongens zonder voortanden uit Roemenië en op elke hoek taxichauffeurs die je met veel talent een oor aannaaien, zwervers met bier en beddengoed in stegen en parken: wie deze stad wandelend doet en – zoals ik – ook af en toe graag een zijstraat inslaat, moet op z’n tellen passen, dat vóel je, al heerst hier beslist geen dreigende sfeer. Bedriegertjes, bedelaars, sjacheraars, gauwdiefjes en prakkizeerders die hóren bij zo’n doorleefde stad.

“De Hongaarse samenleving is door de invoering van de kapitalistische vrijemarkteconomie flink door elkaar geschud”, zegt mijn collega Richárd Bogdán wanneer we ‘s ochtends vroeg al door het museum van Schone Kunsten dwalen. Richard werkte bij de krant Magyar Hirlap (Hongaars Nieuwsblad), maar begint eerdaags zelf een krant, het eerste Hongaarse middagblad. “De armen van weleer zijn nóg dieper gevallen.”

Van armoede is in het museum in elk geval niéts te merken: ik zie een schitterende collectie Italiaanse en Spaanse meesterwerken, ik zie een hele zaal vol El Greco, maar ook veel Rodin, Renoir, Monet, mijn hemel, de mooiste schilderijen hangen hier hoog boven elkaar, omdat er te weinig plaats is. Hollandse en Vlaamse meesters: Jan Breughel, Rubens, Gerard Dou, Willem Drost, Willem van de Velde, ik zie Jacob van Ruisdaels ‘Gezicht op Amsterdam’ en ik zie ook verschillende Rembrandts, de ‘Droom van Jozef’ bijvoorbeeld.

Zelf droom ik ook een beetje weg, vooral als we even later de fabelachtig mooie Egyptische collectie bekijken, de op één na grootste in Europa. Met de Budapest Card mag je het museum aan het Heldenplein gratis in, net als in vrijwel alle 55 musea, de trams, bussen en metro en tal van vermakelijkheden als de dierentuin, en ook heb je bij veel attracties en restaurants flinke korting.

De stad heeft zoveel moois te bieden, Richard en ik lopen de basiliek van Sint Stefan binnen, opgedragen aan István, de eerste christelijke Hongaarse koning, die later werd heilig verklaard. Nòg lopen veel Hongaren met hem weg. Terwijl het orgel wordt bespeeld, kijk ik naar de rechterhand van de heilige, die in een speciale kapel is tentoongesteld.

Daarna óp naar de Opera, aan de Andrássy út. Onderweg raken we in gesprek met een groepje jongelui. Allen spreken Engels. “Bijna 50 jaar lang waren we gedwongen Russisch te leren”, zegt Richard. “Nu leren de kinderen Engels.” Da’s wel zo gemakkelijk, want mijn Russisch laat te wensen over.

Pracht en praal

De Staatsopera kan zich gerust meten met die van Wenen, Parijs of Dresden. Wat een grandeur, wat een rijkdom, wat een schitterend bouwwerk en het is alles écht goud wat er blinkt! Gustav Mahler en Otto Klemperer waren hier kind aan huis. De majestueuze trappen, de centrale hal met een kroonluchter die drie ton weegt, de koninklijke loge, wat een pracht en praal. Buiten schijnt de zon en de platanen langs de brede boulevards lopen al aardig uit. Er rijden trolleybussen, een verademing: geen lawaai, geen uitlaatgassen. Ik zie een Solex. Deze zuinige snorfiets werd een tijdlang nog in Hongarije gefabriceerd.

Vanaf de oude wallen van de citadel, rond 1850 gebouwd door de Habsburgers om Boedapest onder controle te houden, heb je een adembenemend uitzicht over de stad. Moet je wel eerst helemaal naar boven, de Gellért-heuvel op, maar er gaan ook bussen. Het ruikt er naar seringen. Jammer van al die Volendam-achtige souvenirstalletjes en de oplichters die hier balletje-balletje spelen. Ik zie het barokke koninklijk paleis uit het begin van de achttiende eeuw en natuurlijk aan de overkant van de Donau het immense, neogotische parlementsgebouw, met z’n 96 meter hoge koepel, precies even hoog als de koepel van de Szent István-basiliek.

“We wilden Boedapest eigenlijk per fiets bekijken, maar dat is veel te gevaarlijk”, zegt Liesbeth van Gurp uit Breda, die ik met haar zusje Sera ontmoet bij het monument van de samenvoeging van Boeda en Pest. “Het verkeer is veel te druk. Nu nemen we lekker de metro en de tram. Dat gaat ook prima. En we wandelen veel. We vinden Boedapest een heerlijke stad en er is ontzettend veel te zien.” Zo horen we het nog eens van twee anderen.

Eten kan je in Boedapest op vele duizenden plekken. Er zijn talloze uitstekende cafés en eethuizen, bij veel koffie-knijpjes kun je ook heerlijk belegde broodjes kopen (szindvics, noemen de Hongaren hun toostjes met zalm of kaviaar), maar Agnes Ördög van het toerismebureau in de Hongaarse hoofdstad heeft me gevraagd naar étterem (restaurant) ‘Cyrano’ te komen, in de oude stad van Pest (spreek uit: Pesht). Aardappel, rundvlees, ui, knoflook en natuurlijk veel paprika: voilà, goulashsoep, een must. Ik verschalk daarna een gegrilde forel, er gaat bij mij wel wat in na al dat gewandel, en ook het bedje van spinazie en rijst met kappertjes en pistachenootjes is heerlijk. We drinken er een chardonnay bij uit Siklós. De Hongaren maken superbe wijnen. De Párizsi Narancstorta gyümölcstükrön ging er ook in als koek en ik mocht van Agnes een stukje proeven van haar csokoládétorta.

Het hele kasteelgebied in Boeda, met z’n reusachtige koninklijk paleis en oude stad, staat op de VN-lijst van werelderfgoederen. Eigenlijk ontstond dit deel van de stad in de dertiende eeuw als nederzetting van koning Béla IV, die na een brute invasie van de Tartaren besloot om hier een burcht te bouwen. Onder koning Mátyás (vijftiende eeuw) bloeide de toenmalige hoofdstad op, maar pas onder de Habsburgers werden de verwoestingen door de Turken weer ongedaan gemaakt. Er is hier ontzettend veel te zien, bijvoorbeeld in het Boedapest Historisch Museum, en er is een labyrint van onderaardse gangen en kelders, waar je tegen een klein entreegeld kunt griezelen of drinken uit een heuse wijnfontein.

Wijnen

Het Huis van de Hongaarse Wijn ligt schuin tegenover het Hilton Hotel: je kunt er proeven van meer dan 700 wijnen uit 23 verschillende wijngebieden. Doe, als je ‘m ziet, vooral keldermeester Gabór Hajma de groeten; wij maakten er bij muziek van Locatelli en Purcell een vrolijke namiddag van.

Op de Donau heerst al een drukte van jewelste met plezierboten. Je kunt hier, vier bruggen verderop vlakbij de nieuwe schouwburg die pas een paar maanden open is, een draagvleugelboot nemen naar Wenen, zo’n Donau-reisje duurt een uur of zeven. Maar je kunt ook onderweg uitstappen in Bratislava en dan met de volgende boot weer verder, want er gaan er twee per dag. Negen landen doet de machtige Donau aan, maar doordat de bruggen in Servië tijdens de laatste oorlog zijn verwoest is er op en uit de Oekraïne, uit Roemenië en Bulgarije en natuurlijk ook uit Servië en Kroatië eigenlijk geen vaarverkeer.

Thermaal bad

Niets is lekkerder na zo’n lange slenterdag dan een verfrissend thermaal bad. Je kunt er naar vele, in Boedapest. Naar verscheidene grote, eeuwenoude, Turkse saunabaden of naar Badhotel Gellért, dat blijft leuk, maar ik koos deze reis voor de rust van Margitsziget, het eiland in de Donau, waar het prachtig gelegen Danubius Thermal Hotel de heerlijkste behandelingen biedt. Een kuurhotel, waar gasten uit alle delen van de wereld in badjas rondwandelen als ze niet liggen te borrelen in het grote bubbelbad met geneeskrachtig bronwater. “Het heilzame water komt uit een bron onder het eiland en is dan bijna heet. Wij koelen het af tot 36 graden, want wij willen onze gasten niet koken”, grapt Spa-manager Frank Halmos.

Boedapest is een heerlijke, oude stad met veel moderniteiten maar vooral veel traditie, soms zijn ze er een tikkeltje ouderwets. Zo zijn ze hier nog gek op táárt. In de grote koffiehuizen word je doodgegooid met gebak. Bij taartpaleis Gerbeaud (Metro M 1 halte Vörösmarty tér) hebben ze koffie met trüffeltorta of sachertorta met hazelnoot. Leuk om te ontbijten, maar ook in trek bij bezoekers van operetteavonden. Die zijn hier nog formeler dan in Wenen, ik ben er verliefd op: Gern hab’ Ich die Frau’n Geküsst! Dein ist mein Ganzes Herz, jazeker lieve lezer: Ich sing mein Lied heut’ nur für dich!