Natuurles van Franse jagers

Wie Frankrijk echt wil leren kennen, de Fransen surtout, die moet een keertje mee gaan jagen. In de herfst en de vroege wintermaanden is heel Frankrijk er mee bezig, met La Chasse. Honderdduizenden trekvogels en meer dan een kwart miljoen everzwijnen leggen elk jaar het loodje.

Niets te verbergen: elke toerist is welkom. Loco-burgemeester Guy Chevalier en zijn compaan Dieudonné Godia slaan geen jachtpartij over: “Lekker buiten in de vrije natuur.”
Iedere Fransman heeft er een uitgesproken mening over. In de stedelijke gebieden en trouwens ook in de Europese hoofdstad Brussel vinden steeds meer milieuvrienden en andere groenen de jaarlijkse jacht op het wild maar een wrede terreuraanslag op de natuur, een akelige cultuur waar Frankrijk zich voor zou moeten schamen en zich beter zo snel mogelijk van kan ontdoen.

Maar op het uitgestrekte Franse platteland is La Chasse zoiets als een religie, in elk geval een diepgewortelde traditie, meer nog een passie. Hier zeggen ze dat stadse mensen domweg niet weten waar ze over praten, dat de jacht een absolute noodzaak is, al was het maar om de groeiende aantallen zwijnen en vossen die jaarlijks enorme schade aanrichten in de agrarische gebieden, onder controle te houden.

Kom gerust kijken, zeggen de Franse jagers. Vakantiegangers zijn le bienvenue om mee te gaan jagen. “Stevige schoenen aantrekken”, was Serge me de dag tevoren al komen zeggen. “Geen gympen, want je zal het wel merken: er moet ook flink geklauterd worden.”

In Camplong, vroeger een mijnwerkersstadje, nu een slaperig dorp op een uitloper van de Haut Languedoc in het Zuid-Franse departement Hérault, wonen 163 mensen. Veel activiteit is er niet, maar dat maakt deze stille droomplek aan de rand van het regionaal natuurpark nu juist zo aanlokkelijk voor wandelaars, fossielenzoekers, paddestoelenrapers en andere natuurvorsers.

Af en toe een fête du village, het Grand Café en het onvermijdelijke jeu de boules, meer is er niet in Camplong. Gelukkig is er driemaal per week La Chasse, anders zouden ze zich hier helemaal te pletter vervelen.

René Admant, secretaris van de jagersvereniging: “Geen zwijn geschoten, maar toch een mooie dag gehad.” Het is nog halfdonker, un peu matineux en een tikkeltje fris, maar ze zijn er vanochtend allemaal als we aan de rand van het dorp verzamelen. Vaste plek, bij het oude badhuis van de kolenmijn. Alain, Gérard, de twee Serges, Aimé, Patrice, loco-burgemeester Guy, Yves, Jean-Jacques, allemaal met hun trots, hun nerveuze jachthonden en vooral hun jachtgeweer.

Er worden handen geschud en de secretaris van de chasseurs, gepensioneerd onderwijzer René Admant, stelt voor dat we in koppels van twee man in de verschillende jachtpistes rondom het dorp gaan zoeken naar sporen van wilde zwijnen, want het ritselt hier van de doorvoede zwijnen. Honderd kilo is niks. Afgelopen week legden ze er nog eentje om van 140 kilo. Kijk, da’s lekker eten! De honden willen uit hun kooien in de roestige bestelautootjes. Kom op, zegt Serge, we gaan. We lopen, klauteren, hond aan een lange lijn voor ons uit.

De sangliers ruiken en horen gevaar op kilometers afstand. Alleen al daarom hebben jagers een afkeer van aftershave en wordt er tijdens de jacht niet gerookt. Zijn hond snuffelt nog zenuwachtig door het struweel, maar Serge heeft al een spoor. Opengeknauwde kastanjes, modder op de gevallen herfstbladeren. “Kijk, hier hebben ze staan wroeten in de modder, op zoek naar slakken en wormen. Met de modder aan hun poten zijn ze deze kant op gelopen, naar boven”, wijst Serge, getalenteerd milieumedewerker van de Mairie van Camplong wiens dagtaak vooral uit het afvoeren van het huisvuil bestaat.

De hond volgt het modderspoor, ik zie verder alleen een verstoorde roofvogel. Serge weet genoeg. Na dik anderhalf uur struinen door de goudbruine natuur, roept hij opeens: “Daar zitten ze!” Dus gaan we terug naar onze groep, terug naar de auto’s. Het is nauwelijks halftien in de ochtend als in de jagershut van Camplong, de flessen wijn en pastis op tafel komen.

Ieder doet zijn verhaal en op de grill in de knapperende open haard worden enkele mooie stukken wild zwijn van eerder deze week geroosterd. Grote stukken pain de campagne, kaas en worst. Er moet duchtig gegeten worden, want we moeten er dadelijk tegenaan. Zo komt het dat ik op een tijdstip waarop ik normaal een schuchter ontbijtje nuttig, mij nu in alle vroegte geconfronteerd zie met een flinke bout everzwijn en een tot de rand gevulde beker vin de pays. Allez, het is niet anders.

“Laten we wel goed oppassen, want er zijn vandaag veel paddestoelenzoekers”, zegt Yves. Er gebeuren veel ongelukken bij de jacht in Frankrijk. De hitlijst van vorig jaar is nog niet binnen, maar twee jaar geleden kwamen 45 mensen om het leven en vielen er vele tientallen gewonden, meest door onvoorzichtigheid en paniekerig schieten. Sommige jagers raken zo opgewonden zodra zij iets horen ritselen in het struikgewas dat ze meteen vuren. Toeristenorganisaties maken zich temeer zorgen nu het jachtseizoen steeds vroeger begint om het almaar groeiende aantal everzwijnen de kop in te drukken.

Dit jaar startte de zwijnenjacht al op 15 augustus, nota bene middenin het toeristenseizoen, waarin veel wandelaars en mountainbikers gebruikmaken van de natuurroutes en jaagpaden. Franse kranten meldden al weer veel fatale ongelukken.

In de jagershut van Camplong wordt duchtig gegeten voordat de jagers er op uit trekken. De regels worden steeds strenger, dat wel. Regels en Frankrijk. Meer zeggen we hierover niet. Behalve dan dat het jachtexamen, dat tegenwoordig net als het rijexamen uit een theoretisch en praktisch deel bestaat, niet meer het fluitje van een centime is van weleer. Axel Rodhain uit Camplong weet daar alles van. Hij is net 16 jaar, zit op de bosbouwschool bij Carcassonne, loopt stage bij de ONF, de Office National des Forêts, en moet elke avond blokken voor zijn komende jachtexamen. Er zijn dit jaar 38.000 nieuwe kandidaten voor een jachtvergunning in Frankrijk, waar de machtige en ook in de politiek zeer invloedrijke jagerslobby die hier CPNT heet (Chasse, Pêche, Nature et Traditions) meer dan anderhalf miljoen leden heeft.

Jachtsecretaris René stelt zich met zijn geladen dubbelloops geweer op bij een boom langs het steile jaagpad, bij een van de genummerde jachtposten. Enkele tientallen meters verderop staat Aimé met zijn karabijn. Ofschoon er nu eigenlijk niet meer gepraat mag worden, fluistert René: “Die onderlinge saamhorigheid is voor mij een van de belangrijkste aspecten van de jacht. Er zit ook in zo’n simpel dorp als Camplong veel oud zeer. Onderlinge ruzies en vetes van vele tientallen jaren, daar heb je als toevallige bezoeker amper idee van. Maar in de jacht is iedereen samen. Dan vallen alle verschillen weg. De jacht is een heel sociaal gebeuren.”

Een uitgesproken mannen-aangelegenheid, jagen. “Ik zou het prima vinden als ook de vrouwen zouden deelnemen, al zie ik dat hier nog niet direct gebeuren”, zegt Serge.

Natuurlijk zijn toeristen welkom om mee te gaan jagen, benadrukt René. Kost niks, zo’n hele dag meestruinen door de vrije natuur, al wordt een flesje pastis door de jagersgroep wel op prijs gesteld. “Wie met een geweer komt, moet natuurlijk z’n jachtvergunning meebrengen. We hebben in Camplong recht op 35 jagers plus vijf genodigden.” “We vinden het juist leuk als er gasten zijn”, zegt Guy Chevalier, de loco-burgemeester. “Vandaag zijn er twee jagers uit Toulouse. Jonge gasten, die hier regelmatig komen.”

Pogingen van Brussel om de jacht verder aan banden te leggen, stuiten in Frankrijk op veel verzet, ook in Camplong. “Kijk, dat ze betere hygiënische omstandigheden voor de slacht voorschrijven, dat kan ik billijken,” zegt René. “Daar doen wij heel loyaal aan mee. Ook wij gaan de boucherie laten betegelen en zullen zorgen voor betere voorzieningen. Maar laten ze ons nu niet gaan vertellen of we hier tien of twintig everzwijnen mogen schieten, want dat maken we zelf wel uit. We jagen hier niet om te moorden, maar om de wildstand op orde te houden. Hoe kunnen ze in Brussel weten hoeveel zwijnen hier dit jaar zitten? Wij zijn allemaal vóór Europa maar tegen overdreven bemoeizucht.”

Dat in Frankrijk, en trouwens ook in Italië, trekvogels bij tienduizenden uit de lucht worden geschoten als ze al niet zijn gevangen met lijmstokken of netten om te worden opgepeuzeld, terwijl Noord-Europa zich juist enorm inzet om die dieren te beschermen, is voor de Europese milieuministers steeds moeilijker te verteren. Maar voor de Fransen is de jacht een traditioneel geboorterecht.

‘s Ochtends vroeg zit Serge al aan een gegrilde zwijnebout: “Schrijf je wel goed dat er geen drank aan te pas komt tijdens de jacht!”.
Frankrijk en traditie. Frankrijk en eten. Reeboutjes, maar ook kikkerbilletjes, slakken en zangvogeltjes gaan er hier in als zoete koek. Was het niet de laatste wens van de doodzieke oud-president François Mitterrand om nog een ortolaantje te nuttigen? Geheel volgens de traditie met een servet over het hoofd, omdat het uitspuwen van de botjes een wat onsmakelijk gezicht is, verorberde de ex-chef d’état op zijn sterfbed nog twee van deze eenhapszangvogeltjes, een weliswaar verboden maar ultieme delicatesse.

Maar heel weinig Fransen lagen er wakker van, zegt René als we na anderhalf uur nog steeds bij de boom met het nummerbordje 12 staan te wachten op de dingen die komen gaan, maar die niet komen.

Ik hoor wel veel schoten, maar die komen uit een naburig jachtgebied. Pas tegen het vallen van de avond keren we terug naar het dorp, na nog twee andere jachtpistes te hebben uitgekamd. Geen zwijn gezien. De zwijnen hebben gezwijnd. Toch een mooie dag geweest, vindt René. “Of niet soms?” Guy, de loco-burgemeester, blijkt hoogstpersoonlijk een vosje te hebben omgelegd, de doodstraf voor het nachtelijk verschalken van drie dorpskippen.